Vragen over de Kerk

Geschreven door Emmanuel Cabello op . Gepost in papersNL

Hoe kan men vandaag nog geloven in de katholieke Kerk?De auteur gaat in op een aantal actuele vragen over de identiteit van de Kerk en waarom men nog in deze instelling zou geloven.

 

 

1. Wou Jezus de Kerk stichten?

Het Nieuw Testament levert voldoende feiten om dit te bevestigen. Onder andere:

 

1. Jezus omringde zich met vele leerlingen en heeft een stabiele hiërarchie gegeven aan deze groep door de twaalf Apostelen aan te stellen tot leiders van deze gemeenschap met Petrus aan het hoofd. Dat er twaalf Apostelen waren, zoals de twaalf stammen van Israël, betekent dat Jezus een nieuw volk heeft willen stichten.

2. De Apostelen, die het best geplaatst waren om te weten wat Jezus wilde, hebben begrepen dat ze voor opvolgers moesten zorgen, wat ze dan ook gedaan hebben, zoals de handelingen van de Apostelen en verschillende brieven van Sint-Paulus berichten. Deze apostolische opvolging is dus een wezenlijke dimensie van de Kerk.

3. Na zijn verrijzenis, alvorens zijn Apostelen te verlaten, heeft Jezus hun de zending toevertrouwd om van alle naties leerlingen te maken en om de Eucharistie te vieren tot zijn gedachtenis “tot Hij wederkomt” (1 Kor 11, 26), dat wil zeggen tot het einde der tijden.

4. Hij heeft hun, ook tot het einde der tijden, de hulp van de Heilige Geest beloofd, die tien dagen na Jezus’ hemelvaart over de Kerk is neergedaald op Pinksteren.

 

Al deze feiten tonen duidelijk de bedoeling van Jezus om een blijvende gemeenschap op te richten, de Kerk, en om haar de middelen te geven om te blijven bestaan: de hulp van de Heilige Geest, het voedsel van de Eucharistie, de leidersfunctie van de Apostelen en van hun opvolgers, met name de paus en de bisschoppen.

 

2. Meerdere gemeenschappen maken er aanspraak op de Kerk te zijn die door Jezus gesticht werd. Kunnen ze allen die titel opeisen? Zoniet, welke is dan de ware Kerk?

Het Credo belijdt dat er slechts één Kerk is. Bij de kenmerken (of “wezenseigenschappen” zoals men in de theologie zegt) die ons toelaten haar te herkennen is de meest zichtbare de apostoliciteit: vermits Christus de Kerk in handen van zijn Apostelen heeft gegeven is de ware Kerk diegene die trouw de leer van de Apostelen bewaart en die geleid wordt door hun opvolgers, namelijk het college van bisschoppen, voorgezeten door de opvolger van Petrus, de paus. Dit beginsel wordt geformuleerd in de klassieke spreuk: Ubi Petrus ibi Ecclesia (Waar Petrus is, is de Kerk).

 

3. Zijn de andere gemeenschappen die zich beroepen op Christus dan afvallige kerken?

De kerken en gemeenschappen die zich in de loop van de geschiedenis van de katholieke Kerk hebben afgescheurd behouden vele nuttige elementen voor het heil (het tweede Vaticaans Concilie spreekt van “elementen van heiliging en van waarheid”): de heilige Schrift, meerdere sacramenten, en ook schatten uit de liturgie en de devotie. Nochtans vindt men de volle waarheid en de volheid van heilsmiddelen enkel in de enige Kerk die door Christus gesticht werd. Deze blijft voortbestaan in de katholieke Kerk, zoals Vaticanum II zegt. Dit betekent drie dingen:

1. De Kerk van Christus is vandaag levend;

2. Men vindt haar terug in de zichtbare structuur van de katholieke Kerk, d.w.z. de Kerk die geleid wordt door de opvolgers van de Apostelen, met Petrus als zichtbaar hoofd;

3. De tegenwoordigheid en de werking van de katholieke Kerk gaat verder dan haar zichtbare dimensie.

 

4. Is deze nadruk op het primaatschap van Petrus goed gedocumenteerd?

Jezus heeft aan Petrus de sleutels van de Kerk toevertrouwd (cf. Mt 16, 16-19). Hij heeft hem gevraagd zijn broeders te sterken in het geloof (cf. Lc 22, 31). Hij heeft hem tot herder over de Kerk aangesteld (cf. Joh 21, 15). De evangelies vernoemen hem steeds als eerste in de lijst van de Apostelen (cf. Mt 10, 2; Mc 3, 16; Lc 6, 13). En de eerste christengemeenschap heeft hem aanvaard als leider (cf. Hand, hfdst. 1-12).

 

Het is dus niet verwonderlijk dat de opvolgers van Petrus gedurende de eerste eeuwen (zoals we expliciet zien bij Clemens, Victor, Stefanus bijv.) het primaatschap opgeëist hebben; en dat andere bisschoppen van dezelfde periode (Ignatius, Ireneus, Dionysius) het op hun beurt erkend hebben. Maar zoals vele andere leerstellingen van de Kerk zal het primaatschap van de paus pas in de loop der eeuwen definitief toegelicht worden, met name dankzij de aanvallen die het primaatschap zal ondergaan.

 

5. Is er buiten deze enige Kerk van Christus dan geen mogelijkheid tot heil?

Men kent het beginsel: “buiten de Kerk geen heil”. In 1949 heeft Pius XII de letterlijke, fundamentalistische interpretatie van dit beginsel duidelijk verworpen. Vaticanum II legde uit dat deze klassieke uitdrukking betekent dat “die mensen niet gered kunnen worden, die weten dat de katholieke Kerk door God, door middel van Jezus Christus, gesticht als noodzakelijk [voor het heil] en toch weigeren in haar binnen te gaan, of lid van haar te blijven” (Lumen Gentium 14).

 

6. Geldt deze uitleg ook voor niet christenen? Kunnen volgens de katholieke Kerk niet-christenen gered worden?

Ja zij kunnen gered worden door de genade van Christus en door de Kerk, op een manier die alleen God kent. Maar zij bevinden zich feitelijk in een moeilijker situatie om het heil te bereiken. Men moet voor ogen houden dat in de andere religies er altijd positieve waarden (openheid voor transcendentie, monotheïsme, bepaalde morele waarden, enz.) zijn, vermengd met dwalingen zoals het bestaan van kasten, polygamie, bijgeloof en in het ergste geval — zoals in bepaalde primitieve religies voorgevallen is — mensenoffers. Deze foute leerstellingen of verkeerde praktijken vormen een beletsel voor het heil.

 

7. Het schijnt dat de katholieke kerk ook niet trouw gebleven is aan Jezus. Zij heeft bijvoorbeeld leerstellingen, dogma’s, uitgevonden waarover Jezus nooit gesproken heeft.

Jezus had voorzien dat zijn onderricht zou moeten ontwikkeld worden: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen” (Joh 16, 12-13). Zoals iedere leer moet het christendom zich met de tijd ontwikkelen, omdat het in contact komt met andere volkeren en culturen die nieuwe vragen stellen; omdat het ook onderwerp van beschouwing is bij nieuwe generaties; omdat het moet antwoorden op weerleggingen die de ontwikkeling van de wetenschap opwerpt; omdat het dwalingen moet weerleggen die in de loop van de geschiedenis ontstaan, enz.

 

8. Wie waarborgt dat deze ontwikkelingen het christendom niet misvormd hebben?

Deze ontwikkelingen stelden noodzakelijkerwijze het christelijk geloof bloot aan het risico van dwalingen en misvormingen. Maar zou God in zijn wijsheid dit gevaar niet voorzien hebben? Zou God zijn Kerk, waarvoor Hij met zijn bloed betaald heeft, laten ontaarden en de mensen laten vallen in een religieuze anarchie? Om deze gevaren te vermijden heeft Christus een gezag ingesteld dat de weg toont en de knoop doorhakt bij conflicten: het Kerkelijk Leergezag (bijgestaan door de Heilige Geest), dat het geloof duidelijk onder woorden brengt, o.a. door de dogma’s. Zo vervult Hij zijn belofte zijn Kerk bij te staan tot het einde der tijden (cf. Mt 28, 20).

 

9. De Kerk die in de loop der geschiedenis vele fouten begaan heeft, is verwaand als zij zichzelf “heilig” verklaart.

Men moet al het goede niet vergeten dat de Kerk sinds haar oorsprong verricht heeft, niet alleen voor het heil van de zielen maar ook op het domein van de solidariteit, opvoeding, cultuur, enz. Vervolgens kan men er nogmaals op wijzen dat de Kerk tezelfdertijd menselijk en goddelijk is. Zij is een mysterie dat men niet kan begrijpen door haar van haar goddelijk deel, van Christus, te scheiden. Wij mensen met onze fouten en onze zonden maken er het zichtbaar menselijk deel van uit dat ondanks zijn beperkingen het licht en de stem van Christus, van God, doorgeeft op aarde. Naar het beeld van de maan, die hoewel ze enkel uit stenen en stof bestaat, ons het licht van de zon doorgeeft.

 

10. Men kan niet ontkennen dat dit menselijk deel verantwoordelijk is voor vele fouten.

De Kerk heeft nooit beweerd dat zij de gemeenschap van de zuiveren is. Zij heeft zelfs diegenen die dat beweerden, zoals de gnostici en de katharen veroordeeld. Het kwaad is sinds de oorsprong onder haar leden aanwezig: denken we maar aan de tragische gebeurtenis met Ananias en Saffira (cf. Hand 5,1-11), aan het immorele gedrag van sommige gelovigen in Korinthië (1 Kor 5 en 6), enz. Daarom heeft Christus het sacrament van de verzoening ingesteld. Daarom ook beginnen de christelijke gemeenschappen, wanneer ze samenkomen om de Eucharistie te vieren, altijd met het belijden van hun fouten in een akte van berouw.

 

11. Als men niet ziet dat christenen zich bekeren kan men de klassieke slogan: “Christus ja, de Kerk neen” begrijpen.

Het is juist de Kerk die elke christen uitnodigt en helpt zich te bekeren, zich in te spannen om een leven te leiden in overeenstemming met het voorbeeld en de onderrichtingen van Jezus. De Kerk zelf, in haar hoedanigheid van menselijke instelling, heeft voortdurend nood aan hervormingen in haar structuur en in haar leven. In het verleden heeft zij die voortdurend gerealiseerd en ze zal zo doorgaan, geleid door de Heilige Geest (denken wij bijvoorbeeld aan de grote concilies zoals Trente en Vaticanum II). Maar alvorens te spreken over eventuele fouten of mogelijke hervormingen, past het de Heer te danken voor het geluk dat wij hebben dat wij, dankzij de Kerk, de waarheid over God en over onze bestemming kunnen kennen. Denken wij maar aan de grote hoop die in ons leeft omdat wij weten dat we bestemd zijn om te genieten in alle eeuwigheid van de goederen van de wereld die gaat komen. Deze goederen heeft Jezus voor ons gewonnen door zijn kruis, en de Kerk maakt haar door haar prediking en haar sacramenten bereikbaar en deelt ze ons mee in ons leven van vandaag. “Ja” aan Christus is niet te scheiden van “ja” aan de Kerk die door Christus zelf gewild en gesticht is (zie punt 1).

 

12. Men moet toegeven dat de absolute macht van de paus in de Kerk en zijn aanspraak op onfeilbaarheid tegenwoordig slecht overkomen.

De macht van de paus is ver van onbegrensd. Deze macht geldt binnen het kader van het katholiek geloof en de fundamentele structuur van de Kerk, werkelijkheden die de paus niet kan veranderen. Meer bepaald is hij begrensd door het doel van de zending die Christus aan Petrus en aan diens opvolgers toevertrouwd heeft: de eenheid in het episcopaat en daardoor de eenheid van de Kerk.

 

En wat zijn onfeilbaarheid betreft: die bezit hij werkelijk, maar als deel van degene die God aan de Kerk in haar geheel verleend heeft om niet tekort te schieten in het geloof. Bovendien wordt deze onfeilbaarheid niet als zijn eigendom beschouwd maar als een gave van de Heilige Geest. En tenslotte is het domein waarvoor ze geldt beperkt, zoals we reeds zagen toen we spraken over de beperkingen van de macht van de paus.

 

13. Zou de Kerk niet beter aanvaard worden indien zij een democratische structuur aannam?

In de loop van haar geschiedenis heeft de Kerk veel dingen aangepast — en zal ze verder blijven aanpassen — in de manier waarop zij zich organiseerde, waarop zij bisschoppen benoemde, waarop zij de paus koos, enz. Zij moet evenwel trouw blijven aan de wil van Christus en bijgevolg de fundamentele structuur die Hij gewild heeft bewaren:

1. Het essentieel principe van gelijkheid van alle leden van de Kerk: al wie het doopsel ontvangen hebben bezitten dezelfde staat als kind van God en dezelfde plicht om mee te werken aan de opbouw van de Kerk, ieder volgens zijn omstandigheden.

2. Het principe van de functionele diversiteit, gebaseerd op het bestaan van een ander sacrament, namelijk van de wijding, dat bepaalde gelovigen en gewijde bedienaars betreft.

 

14. Sluit dat dan een democratie in de Kerk uit?

Onder democratie verstaat men een politieke organisatievorm waar het volk de baas is. Maar de Kerk is een gemeenschap bestemd voor het eeuwig heil van zijn leden. Noch het individu noch de gemeenschap kan uit zichzelf dit heil bereiken dat een geschenk is dat God ons geeft door de sacramenten en het goddelijk Woord. Dat wil zeggen dat dit heil van boven, van God, komt en niet van de basis. En God, Christus, heeft deze heilbrengende gebeurtenis willen sturen door zijn gewijde bedienaars, de bisschoppen en de priesters.

 

Met andere woorden: de Kerk is geen gemeenschap ontstaan op initiatief van diegenen die zich door Jezus van Nazareth lieten inspireren, maar wel de gemeenschap die Jezus bijeen roept als Hij de mensen oproept Hem te volgen. Het Grieks woord voor “Kerk” (ekklèsia) betekent oorspronkelijk bijeenroeping. De gelovigen van de Kerk zijn dus aangesloten bij een project waarvan de essentiële lijnen van Jezus komen. Noch de inhoud van het geloof, noch de essentiële structuur van de Kerk zijn vastgelegd na een democratische stemming van de gelovigen.

 

15. Is de Kerk dan samengesteld uit twee klassen: de hogere (bisschoppen en priesters) en de ondergeschikte (de leken)?

Het zou juister zijn te zeggen dat de bisschoppen en de priesters ten dienste staan van de leken. Men kan eraan toevoegen dat in de Kerk alle gelovigen dezelfde mogelijkheid en dezelfde plicht hebben om heilig te worden, dat is namelijk waar het in het christendom hoofdzakelijk om gaat. Veel dwalingen en moeilijkheden bij het begrip van de Kerk komen voort uit het feit dat men een profaan model van structuur toepast op de Kerk en de unieke zending die voortvloeit uit haar goddelijke oorsprong en haar bovennatuurlijk doel — het heil van de zielen — miskent.

16. De Kerk zou zich moeten aanpassen aan de huidige maatschappij om niet te verdwijnen. Zij schijnt nog in de Middeleeuwen te leven met haar ouderwetse moraal die de menselijke ontplooiing verhindert.

Reeds de oude Romeinen richtten zich tot de christenen en moedigden hen aan hun geloof af te zweren en terug te keren tot de vroegere cultus, die volgens de Romeinen veel vrolijker en veel feestelijker was. Daarentegen volgen jullie christenen een gekruisigde, zegden zij.

 

Het is ook moeilijk te begrijpen hoe een Kerk, waarvan de stichter gekruisigd werd door de religieuze leiders van zijn eigen volk, die een leven van onthechting aanprijst en die — sinds de heilige Petrus tot op onze dagen — bestaat uit zwakke en zondige mensen, kan overleven en zich blijven uitbreiden en vanuit haar oude stam steeds nieuwe scheuten kan doen ontstaan.

 

Men vertelt dat op een dag toen Napoleon tegen Kardinaal Consalvi dreigde dat hij de Kerk zou vernietigen, deze laatste hem met enkele woorden antwoordde die meer zijn dan enkel een boutade: “U zult haar nooit kunnen vernietigen: wijzelf zijn er nooit in geslaagd…”

 

Emmanuel Cabello is priester, doctor in de Opvoedingswetenschappen en in de Theologie. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Helene Luyten.